Eenzaamheid.

7 01 2010

Beste eenzaat,
Ik bedacht me net dat de titel van dit stukje een titel van Kundera had kunnen zijn. Het zou in het rijtje Traagheid, Identiteit en Onwetendheid niet misstaan. Helaas. Het is geen literaire titel, hoewel De Eenzaamheid van de Priemgetallen in de buurt komt. Ik noem enkele titels van boeken, beste eenzaat, niet uit literair snobisme. U kent mij. Liever dan de intertekstuele diepgang van mijn blog te vergroten (hoewel ik zodadelijk heel wat trefwoorden zal hebben, zodat nog meer mensen mijn blog in de jungle van het wereldwijde web zullen vinden) wil ik u wat leesvoer aanbieden.

U lijkt me eenzaam te zijn, eenzaat, en dus veel tijd te hebben om te lezen. Tot die conclusie kwam ik toen ik op 28 december van vorig jaar de beheerderspagina van mijn weblog opende om na te gaan of mijn nieuwjaarspost op het net verschenen was. Mijn vertrouwen in de automatisering is niet zo groot dat ik er de controle op weggeef. Wat bleek: de automatisering deed zijn werk. De post was netjes verschenen. Maar in de rechterhoek stond tot mijn grote verbazing een bezoekersaantal dat ik niet gewend ben. Maar liefst twintig (20) personen vonden de weg naar mijn blog.

Tot zover, naast wat hoongelach van u, eenzaat, niets nieuws onder de winterzon: u wist dat ik de zielig lage bezoekerscijfers betreur, hoewel ik ze zelf in de hand werk door het gebruik van te lange zinnen voor de aan de afstandsbediening en het internet verslingerde Vlaamse en Nederlandse mens. Wat me wel verbaasde eenzaat, is dat u met zijn twintig (20) op kerstdag (25 december) de tijd vond om mijn website te bezoeken.

Waren er geen feestjes? Heeft u geen familie? Dat u nota bene op misschien wel de heiligste dag van het jaar – hoewel pasen misschien nog heiliger is, ik weet niet of de geboorte dan wel de hergeboorte van Jezus het belangrijkste is – het weblog van een op het wanhopige af zijnde schrijver bezoekt. Even eenzaam als u, in de witte winternacht, op zoek naar een publiek.

Wie mijn blog bezocht op 25 december: maak u kenbaar. Eender wie u bent. Laat ons volgend jaar samen kerst vieren. We zullen rond de tafel zitten als de familie die u nooit heeft gehad. U zal kerstkalkoen (ik hou het bij Quorn, dan wel tofu) eten, ik schenk de wijn en na de kersttaart zullen we de geschenken openmaken. U zal zich nooit meer zo eenzaam voelen als afgelopen kerst.

Gert-Jan

P.S.: Als u, eenzaat, zich op een familiefeest bevond maar tussen de soep en het hoofdgerecht niet aan de verleiding kon weerstaan om mij op te zoeken, weet dan dat er in de andere kamer de enige mensen zaten op wie je hun hele leven lang kan rekenen. Het was je familie: de mensen die je pas zal missen als je zelf ‘familie’ geworden bent en op een familiefeest wanhopig en dronken de jongere generatie wil amuseren met je moppen.





Beest

23 10 2009

Komt dat zien, komt dat zien: Gij, John Ely, vond ontspanning op die ijskoude twaalfde maart van 1888. Na het bewonderen van de keizers van de nok van het circus verliet ge de tent niet. Ge besloot een kooi in het duister te bezoeken: een monster met vier ogen lonkte. Ge had geen keuze, hoewel het beest u angst inboezemde.

En nu wilt ge het lokken, het gevangen beest wat eten aanbieden. Ge tast in uw zakken: hout. Ge toont het zoethout dat ge voor uw dochter bijhad aan het beest. Ge ziet geen vacht, geen schedel. Enkel vier ogen. Ge bibbert, maar weg gaan zoudt ge niet eens kunnen. Het zoethout valt uit uw trillende hand. Het beest snuift, gnuift, maart openbaart niets meer dan zijn eigen ogen. Ge moet door de knieën, ge buigt voor het beest en ge raapt eerbiedig het snoepgoed van de vuile circusgrond op. Het was in feite voor Veronica, uw zieke dochter. Ze zou heerlijk blij zijn met wat zoetigheid om haar bittere medicijnen te verzachten. Ze zou ontroerend blij zijn met dit onverwacht geschenk, ze zou lachen en huilen tegelijk: tranen zouden uit haar engelenogen druipen zoals kaarsvet van een kaars drupt. Ge zoudt haar vertellen dat het snoepje van Simon kwam, de kruidenier die haar altijd over de krullen aaide. Simon was een goede vriend: toen zijn vrouw gestorven was mocht hij bij uw gezin verblijven. Hij was dol op uw dochter en gaf u het zoethout dat gij laat vallen. Ge raapt het op en steekt het trillend tussen de spijlen van het kot.

Het zweet staat op uw voorhoofd, uit angst voor vier starende ogen, ge veegt het af met uw linkermouw terwijl ge met uw rechterhand het trillende houtje aanbiedt aan het beest dat onbeweeglijk en onbewogen toekijkt. Dan beweegt het beest en van het verschieten laat gij het zoethout weer vallen. Uw dochtertje kan fluiten naar snoepgoed, want het zoethout hangt onder het slijk, ze moet haar medicamenten bitter doorslikken om te genezen van haar ziekte. Ge gaat door de knieën maar wendt uw blik niet af. Wat moet ge doen met uw kind, nu ge het geen snoep meer kunt geven? Moet ge thuiskomen en zeggen: “schat, er zijn ergere dingen in de wereld. Kijk naar de storm die sinds vannacht New York teistert en de mensheid onder sneeuw bedelft”? Dat troost toch geen kind?

Ge vangt een glimp op van het naakte wezen als het zich naar het zoethout toe beweegt. Ge laat het snoep ten derde male vallen. Het rolt onder de kooi en ge steekt uw arm onder de kooi als het beest uw mouw pakt als om uw jas te stelen. Het trekt uw mouw kapot en pakt de resten van uw vest vast: de teerling is geworpen, uw lot is bezegeld. Ge spartelt tegen maar de vier armen scheuren de naden van uw jas aan flarden. Het beest lijkt genoeg scheurende stof te hebben gehoord: het pakt uw armen vast. Hijgend als een dorstige hond trekt het vierarmig monster u tegen de spijlen van de kooi. Ge ruikt zijn zurige asem, ge ziet de glans van een kale schedel. Het beest spreidt uw armen uit als een vogelverschrikker. Uw hoofd hangt in het midden. Ge zijdt klaar voor een dissectie. Ge kwaakt als een kikker, John Ely. Ge schreeuwt terwijl de aarde beeft, de bodem splijt en de storm uit de hemel dondert. De vier armen laten u niet los, ze klemmen u vast. Ge voelt het kwijlend bakkes in uw gezicht en alles wordt langzaam donker. Buiten sneeuwt het.

Ge moet begraven worden, ge zijdt dood. Het stuk zoethout valt uit uw hand op de bodem van de kooi en wordt opgeraapt door het beest: twee handen breken het hout en verdelen het onder twee hongerige monden. Ge hoort het niet, net zoals ge de circusdirecteur niet hoort roepen: “Komt dat zien, komt dat zien: in primeur in The greatest show on earth, u aangeboden door het Barnum and Bailey circus: de levensgevaarlijke wildemannen uit Borneo, een tweeling uit de verre jungle. Twee rasechte menseneters: wie hen tegenkomt maakt geen schijn van kans, wie hen ziet gaat kapot!”





Heet

30 01 2009

45 graden. Zo warm is het in Australië. Nu behoor ik zelf tot het type dat gek wordt vanaf 30°C, als er tenminste niet constant een ventilator op mij gericht staat. Nu kan het niet warm genoeg zijn. Ik behoor namelijk ook tot de mensen die ook in de winter in een shirtje willen binnen zitten. De verwarming staat dan ook heel hoog. Naar de hel met de Kyotonorm, of mijn ecologische voetafdruk. Ik rijdt niet met de auto, dus ik mag het warm hebben.

Akkoord, de temperaturen zijn hier niet zo spectaculair als die in Australië, maar over het weer praten was deze winter, toen het woord crèchemoord nog niet bestond, toch alledaagse kost. Het was al een tijdje geleden dat we nog eens een echte winter hadden, vandaar. De weerman en -vrouw maakten overuren om ons via alle mogelijke media op de hoogte te houden van de records die er elke dag weer sneuvelden.

In Australië sneuvelde er geen record, de vijfenveertig graden was slechts genoeg voor een tweede plaats in de toplist van warmste dagen ooit. Maar het was toch warm genoeg om het vrt-nieuws te halen. Ik wist niet dat de komkommertijd al begonnen was. Maar het lijkt tegenwoordig elke dag komkommertijd te zijn. Of is een echtscheiding door een televisieprogramma dan echt zo’n groot nieuws?

Dat konden zij toch niet weten, die twee van Het Mooiste Meisje Van De Klas, dat zij na twintig jaar verliefd op elkaar werden? Stel je voor: verliefd worden terwijl die enge Staf Coppens op je staat te kijken. Ik weet niet hoe het met u zit, maar ik vind meneer Coppens op zijn minst een vervelend persoon: die man presenteert alsof hij nog steeds bij Ketnet werkt, waarbij hij dan ook nog eens de gevoelens die zijn slachtoffers moeten hebben volgens het programmaconcept soufleert. “Toen voelde je je erg slecht, hé?”, “toen had je het erg moeilijk, hé”. “Ja Staf, toen heb ik het heel zwaar gehad”.

Enfin, wat ik wilde vertellen: ik kijk uit naar het interview met het kersverse koppel dat elkaar weer vond onder het goedkeurende oog van Staf. Het verschijnt morgen in mijn weekendkrant, en dan mag het allemaal wat losser zijn, nietwaar? De hele media mag tegenwoordig wat losser zijn, heb ik de indruk. Vroeger kreeg je in de krant twee stripbalken Suske en Wiske, tegenwoordig krijg je een stripverhaal met af en toe wat human interest.

Ik wilde wat vertellen over de temperatuur in Australië. Helaas kreeg ik het niet echt voor elkaar: ik vond niet genoeg stof en dus begon ik over andere dingen. Ik ben dan ook niet zo’n talent als de mensen van het vrt-nieuws, die over de hitte in Australië  een nieuwsitem van twee minuten maakten. Moraal van het verhaal: in Australië is het heet. Punt.








Follow

Get every new post delivered to your Inbox.