Val

24 01 2009

 

Twee dames door de lucht/ ze vallen naar beneden. Op melodie van dat lied van Van Het Groenewoud. Ze donderen naar beneden vanuit het vliegtuig dat hen naar de stad van Romulus en Remus moest overvliegen. Ze vallen door de diepblauwe, hemels gelukkige atmosfeer, langs verbaasde merels en overdonderde spreeuwen.

Ze vertrokken gezellig boven in de lucht, dik en varkensroze en in bloemenjurken gehuld. Ze waren heerlijk kwabbig ondanks dieetpogingen en lightboter. Op dit punt in hun val zijn ze blauw als smurfen. Dikke damessmurfinnen, de bloemenjurk opvliegend tot aan hun drie kinnen, de onderbroeken en steunkousen niet langer aan het zicht onttrokken, tuimelen door de atmosfeer vol merels en spreeuwen die nog nooit zo’n dikke smurfen zagen.

Een kwartier geleden zaten ze nog een gebakje weg te vreten op de vlucht naar de stad van Nero en Caligula. Een kaffeke erbij in zo’n kannetje met drukpompje, om de vettige drab van koffiebonen of andere chemische bucht te filteren. Créme au beurre uit een pakske, een viezig gebakske, dat bij God vijf euro gekost heeft.

Tien minuten geleden hadden ze nog gezellig de loop van een pistool tegen hun bol, of ze alstublieft dankuwel hun bakkes konden houden? De man had hen uitgepikt, zij kakelden teveel: over hun familie, hun erfenis, de ruzie van de familie over de erfenis. Een hoop gezever, dat de terrorist niet aankon, het schijnt dat die gasten zowiezo al een kort lontje hebben. En of ze nu twee minuten konden zwijgen, godverdomme? Niet dus.

Vijf minuten geleden vertrokken ze dan eigenlijk: uitgezwaaid door de rest van de boeing, vrolijk gillend de eeuwigheid tegemoet. Kapot gaan was de boodschap. Te hoge druk die longen doet ontploffen. Kaboem, hip hip. Hun longblaasjes en dito vertakkingen die blubberig door het luchtruim zweven, het is een prachtig gezicht: gepocheerde eikes in zout water, geen mens die eraan denkt van dàt weg te vreten.

En nu maar vallen tot een krater in een wei wordt geploft. Geen gil, geen commentaar van een verslaggever die roept “twee-nul”. Enkel die doffe plof. Behalve als die madam op een koe stuikt. Of op een auto, wie weet op een kind. De andere madam zal waarschijnlijk wel op een hekje vallen en volledig gebroken gevonden worden. Een stukje wordt verloren. De puzzel is waardeloos.

Ze donderen en donderen en dan: applaus! Een laagvliegende arend vangt hen op in plaats van spreeuwen en mussen te vangen en breekt hen alvast. Ze vallen niet in weide, niet in stad of dorp, maar in het midden van een prachtige kale woestijn. Niks vinden, niks gerouw: veertig jaar vermist en dan pas officieel kapot.

Twee dames op het zand/ ze liggen te creperen.








Follow

Get every new post delivered to your Inbox.