Furie

4 05 2009

Potdorie, die dekselse Nederlanders toch. Correctie, ik veralgemeen. Potdorie, die Matthijs Van Nieuwkerk toch. Geschokt was hij, diep geschokt, over de straffe taal die mevrouw Connie Palmen op het boekenbal sprak. Over wat zij ‘de nietsnutten’ van de boekenwereld noemde: de lectuurschrijvers, thrillerpenners, de bastards die de goden van de literatuur beroofden van verkoopcijfers, de vuige honden en onreinen die kostte wat het kost gemakkelijke en toegankelijke lectuur produceerden die begrijpelijk was zonder ‘veertig jaar gelezen te hebben’ (zoals mevrouw Palmen zei).

Laat ik niet jokkebrokken: van deze nietsnutten heb ik geen woord gelezen. Kluun is een naam die ik ken van de televisie. Het is een scheldwoord geworden voor een nietsnut, die zijn computer aanzet en een boek uit zijn vingers laat gulpen zonder voorbereidend werk, zonder research en zonder zes naslagwerken. Althans dat denk ik, want nogmaals: ik heb er geen bal van gelezen.

Wat komt ge dan in deze discussie doen? Waarom moet ge dan ook uw zegske hebben, Janssens? Ik wilde Connie Palmen altijd al eens tegenspreken, daarom. Ik ben een bewonderaar van het werk van Connie Palmen. De Wetten waren een openbaring, en ik begin eerstdaags aan Lucifer. Ook haar essayboeken vind ik geweldig. Maar ik vind niet dat kunst (zoals zij de literatuur noemde om haar van de lectuur te onderscheiden) enkel begrijpbaar mag zijn na veertig jaar lezen. Of pas begrijpbaar zijn na een ander boek. Een boek is een boek en moet te snappen zijn voor een marsman die op bezoek komt en op een of andere manier Nederlands heeft geleerd. Gesteld dat een marsman enigszins menselijk is. Want dat onderscheidt de literatuur misschien wel van de lectuur: het feit dat de literatuur algemeen-menselijke gevoelens aanboort die de lectuur ten voordele van spanning of amusement onberoerd laat. Harry Potter is geen literatuur.

Wat ik jammer vond, in dat verdomd mieterse programma dat De Wereld Draait Door is, is dat mevrouw Palmen de voor mij nobele onbekende thrillerschrijfster niet wat meer verbaal op haar bakkes heeft gegeven. Zoals zij op het boekenbal deed, een effect dat camera’s op haar hadden: zij werd een furie, een doorleefd stuk schrijfster dat wild om zich heen klauwde naar wie de literatuur beledigde door haar te gebruiken als kwalificatie bij het scheldwoord thriller. Zij had wat mij betreft gerust Hugo Borst Komrijgewijs de huid mogen volschelden toen hij haar I.M. beroerd geschreven noemde. In plaats daarvan haalde zij hem neer toen hij zei dat hij maar een voetbalcommentator was: “en niks meer”.

Mevrouw Palmen, ga zo door, scheld tot ze doorkrijgen dat literatuur te maken heeft met iets ongrijpbaars, met de liefde voor een traditie die zich uitdrukt in het schoppen tegen die traditie. Dat ze heerlijk woekert, zonder zich iets aan te trekken van verkoopcijfers. Ga lezingen houden om het tekort aan lezers te compenseren: noem uw eerste lezing Kluun, je kan niet schrijven en ga twee keer drie kwartier los op alle J.K. Rowlings van deze wereld. Lees in de pauze eigen werk voor. Ik zal elke voorstelling komen kijken, niet voor het lezen maar voor de scheldpartij. En vele mensen met mij.





Val

24 01 2009

 

Twee dames door de lucht/ ze vallen naar beneden. Op melodie van dat lied van Van Het Groenewoud. Ze donderen naar beneden vanuit het vliegtuig dat hen naar de stad van Romulus en Remus moest overvliegen. Ze vallen door de diepblauwe, hemels gelukkige atmosfeer, langs verbaasde merels en overdonderde spreeuwen.

Ze vertrokken gezellig boven in de lucht, dik en varkensroze en in bloemenjurken gehuld. Ze waren heerlijk kwabbig ondanks dieetpogingen en lightboter. Op dit punt in hun val zijn ze blauw als smurfen. Dikke damessmurfinnen, de bloemenjurk opvliegend tot aan hun drie kinnen, de onderbroeken en steunkousen niet langer aan het zicht onttrokken, tuimelen door de atmosfeer vol merels en spreeuwen die nog nooit zo’n dikke smurfen zagen.

Een kwartier geleden zaten ze nog een gebakje weg te vreten op de vlucht naar de stad van Nero en Caligula. Een kaffeke erbij in zo’n kannetje met drukpompje, om de vettige drab van koffiebonen of andere chemische bucht te filteren. Créme au beurre uit een pakske, een viezig gebakske, dat bij God vijf euro gekost heeft.

Tien minuten geleden hadden ze nog gezellig de loop van een pistool tegen hun bol, of ze alstublieft dankuwel hun bakkes konden houden? De man had hen uitgepikt, zij kakelden teveel: over hun familie, hun erfenis, de ruzie van de familie over de erfenis. Een hoop gezever, dat de terrorist niet aankon, het schijnt dat die gasten zowiezo al een kort lontje hebben. En of ze nu twee minuten konden zwijgen, godverdomme? Niet dus.

Vijf minuten geleden vertrokken ze dan eigenlijk: uitgezwaaid door de rest van de boeing, vrolijk gillend de eeuwigheid tegemoet. Kapot gaan was de boodschap. Te hoge druk die longen doet ontploffen. Kaboem, hip hip. Hun longblaasjes en dito vertakkingen die blubberig door het luchtruim zweven, het is een prachtig gezicht: gepocheerde eikes in zout water, geen mens die eraan denkt van dàt weg te vreten.

En nu maar vallen tot een krater in een wei wordt geploft. Geen gil, geen commentaar van een verslaggever die roept “twee-nul”. Enkel die doffe plof. Behalve als die madam op een koe stuikt. Of op een auto, wie weet op een kind. De andere madam zal waarschijnlijk wel op een hekje vallen en volledig gebroken gevonden worden. Een stukje wordt verloren. De puzzel is waardeloos.

Ze donderen en donderen en dan: applaus! Een laagvliegende arend vangt hen op in plaats van spreeuwen en mussen te vangen en breekt hen alvast. Ze vallen niet in weide, niet in stad of dorp, maar in het midden van een prachtige kale woestijn. Niks vinden, niks gerouw: veertig jaar vermist en dan pas officieel kapot.

Twee dames op het zand/ ze liggen te creperen.








Follow

Get every new post delivered to your Inbox.