Vaak genoeg

6 11 2009

Hoe vaak komt het voor dat ge met uw vrouw uit eten gaat? Niet dikwijls, dacht Ludo Van De Wijngaerdt afwezig, toen hij de stoel onder het achterwerk van zijn echtgenote schoof. Ze aten slechts een keer per maand op restaurant, misschien twee, als er iets te vieren viel. Er viel gelukkig altijd wat te vieren, zoveel reden tot eten hadden zij niet nodig: een wasmachine die was afbetaald, de verjaardag van de hond -waarbij Blackie een luxe schoteltje stoofvlees kreeg in plaats van het gebruikelijke aluminium bake water-, elke gelegenheid was goed genoeg om de benen in brasserie of taverne onder tafel te schuiven.

-Wat pakt gij?

-Steak Provençale.

-Weer Provençale?

-Ja.

-Ik ga ook terug pepersaus pakken.

-Hm. Ok.

-En een cola light.

-Ja. Voor mij een Hoegaerden, alstublieft.

De ober ging het bestelde halen. Hij had evengoed het bonnetje van vorige week kunnen bekijken en hetzelfde brengen als toen, aan hetzelfde tafeltje voor hetzelfde koppel.

 

Ze aten in stilte, zoals hij dat al jaren gewoon was. Ze moesten geen al te grote moeite doen om een gesprek op gang te houden, gewoon samen eten was al blijk van liefde genoeg.

Ludo bekeek zijn vrouw, en zag dat ze oud geworden was van de ene dag op de andere, zeker nu zij met een randje pepersaus om de lippen zat te kauwen op een goed doorbakken biefstuk. Ook hij was grijs geworden bij de slapen, maar hij deed toch zijn best om zich tenminste een beetje jong van geest te gedragen. Beetje moderne kleren, tikkeltje aftershave, om de zoveel tijd een ander kapsel met gel. Bij haar was niets van dat alles te merken, zij had evengoed tien jaar ouder kunnen zijn.

Hij nam een slok van zijn bier, en smakte om aan te geven dat het hem smaakte, zoals hij elke keer smakte om de smaak van zijn eten te benadrukken. Zij dronk gulzig van haar cola light, twee, drie slokken na elkaar, zonder plezier, zonder smaak. Het glas was leeg, en toen zij het laatste brokje steak had verorberd peuterde zij het schijfje citroen uit het glas om het gulzig naar binnen te slurpen. Hij zag hoe haar gezicht vetrok door de zure smaak, en riep de ober om de rekening te brengen.

-Heeft het gesmaakt?

-Ja, heel lekker.

Net hetzelfde als vorige week, de dank voor de ober, de fooi voor de ober en de prijs van spijs en drank. Ook deze gelegenheid hadden zij gevierd zoals het moest, met een etentje in een van hun favoriete tavernes.

Vaak genoeg, dacht Ludo Van De Wijngaerdt, toen hij zich afvroeg of hij zijn vrouw wel vaak genoeg op eten vergastte. Hij opende de deur voor haar en stapte met een kleine zucht in de wagen om weer te keren naar het alledaagse leven.





Cindy (3/24)

5 11 2009

  De zuster zoog.

Met een zuignap.

Het leven uit een moeder.

Achthonderd gram verdriet.

Een kind, waar je direct door ziet.

Draden, buis, infuus,

terug het leven inspuiten, dat

uit een moeder werd gezogen.

Fatalitas

, zou ook ik willen zeggen.

Een zuigeling hoort niet

uit zijn moeder gezogen.





Droeve Tikken

30 10 2009

-Zo graag zwanger?

Er huist geen greintje spot in haar stem, laat staan dat ze medelijden heeft met de rood aangelopen vrouw voor haar kassa. Ze had de feromonenspray ingescand, hoewel ook zij deze veel te duur vond. Hoe vreemd dat iemand daar geld aan besteed, om een man desnoods met geuren te verleiden, maar hoe begrijpelijk dat een vrouw moeder wil worden, zelfs al zag de dame voor haar er al jarenlang als moeder uit. Toch was zij slechts 23 jaar oud, wat haar kinderwens echter niet in de weg stond.

Met droeve tikken toetste het vrouwtje de code van haar bankkaart in. ‘Aanvaard’ verscheen op het schermpje. De dame met de kinderwens keek nog eenmaal naar het meisje dat haar zojuist bediend had.

-Het komt wel in orde.

-Ik hoop het.

-Dag en bedankt, hé.

Het kassameisje vervloekte zichzelf: net nu zij oprecht contact had gelegd met een van haar klanten moest zij hervallen in clichés, zij die altijd had geprobeerd om haar klanten echt persoonlijk te benaderen, die de namen van hun kinderen en hun huisdieren venbuiten had geleerd om te pas en te onpas te informeren naar hun toestand.

Het vrouwtje met de kinderwens komt thuis. Zij duwt de fiets bij het zadel door de smalle gang naast het huis. Zij zet haar fiets in de schuur. Ze haalt de spray uit haar fietstas en besprenkelt zich met de feromonen. Ze volgt het pad naar de achterdeur en zegt haar man gedag. Ze pakt hem beet, duwt hem in de zetel en springt op de schoot van haar echtgenoot. Zij opent zijn hemd en pakt zijn bril van zijn oren. Zij bedrijven de liefde. Weer bedrijven zij de liefde, in de hoop een kind in de moederschoot te doen bloeien.





Beest

23 10 2009

Komt dat zien, komt dat zien: Gij, John Ely, vond ontspanning op die ijskoude twaalfde maart van 1888. Na het bewonderen van de keizers van de nok van het circus verliet ge de tent niet. Ge besloot een kooi in het duister te bezoeken: een monster met vier ogen lonkte. Ge had geen keuze, hoewel het beest u angst inboezemde.

En nu wilt ge het lokken, het gevangen beest wat eten aanbieden. Ge tast in uw zakken: hout. Ge toont het zoethout dat ge voor uw dochter bijhad aan het beest. Ge ziet geen vacht, geen schedel. Enkel vier ogen. Ge bibbert, maar weg gaan zoudt ge niet eens kunnen. Het zoethout valt uit uw trillende hand. Het beest snuift, gnuift, maart openbaart niets meer dan zijn eigen ogen. Ge moet door de knieën, ge buigt voor het beest en ge raapt eerbiedig het snoepgoed van de vuile circusgrond op. Het was in feite voor Veronica, uw zieke dochter. Ze zou heerlijk blij zijn met wat zoetigheid om haar bittere medicijnen te verzachten. Ze zou ontroerend blij zijn met dit onverwacht geschenk, ze zou lachen en huilen tegelijk: tranen zouden uit haar engelenogen druipen zoals kaarsvet van een kaars drupt. Ge zoudt haar vertellen dat het snoepje van Simon kwam, de kruidenier die haar altijd over de krullen aaide. Simon was een goede vriend: toen zijn vrouw gestorven was mocht hij bij uw gezin verblijven. Hij was dol op uw dochter en gaf u het zoethout dat gij laat vallen. Ge raapt het op en steekt het trillend tussen de spijlen van het kot.

Het zweet staat op uw voorhoofd, uit angst voor vier starende ogen, ge veegt het af met uw linkermouw terwijl ge met uw rechterhand het trillende houtje aanbiedt aan het beest dat onbeweeglijk en onbewogen toekijkt. Dan beweegt het beest en van het verschieten laat gij het zoethout weer vallen. Uw dochtertje kan fluiten naar snoepgoed, want het zoethout hangt onder het slijk, ze moet haar medicamenten bitter doorslikken om te genezen van haar ziekte. Ge gaat door de knieën maar wendt uw blik niet af. Wat moet ge doen met uw kind, nu ge het geen snoep meer kunt geven? Moet ge thuiskomen en zeggen: “schat, er zijn ergere dingen in de wereld. Kijk naar de storm die sinds vannacht New York teistert en de mensheid onder sneeuw bedelft”? Dat troost toch geen kind?

Ge vangt een glimp op van het naakte wezen als het zich naar het zoethout toe beweegt. Ge laat het snoep ten derde male vallen. Het rolt onder de kooi en ge steekt uw arm onder de kooi als het beest uw mouw pakt als om uw jas te stelen. Het trekt uw mouw kapot en pakt de resten van uw vest vast: de teerling is geworpen, uw lot is bezegeld. Ge spartelt tegen maar de vier armen scheuren de naden van uw jas aan flarden. Het beest lijkt genoeg scheurende stof te hebben gehoord: het pakt uw armen vast. Hijgend als een dorstige hond trekt het vierarmig monster u tegen de spijlen van de kooi. Ge ruikt zijn zurige asem, ge ziet de glans van een kale schedel. Het beest spreidt uw armen uit als een vogelverschrikker. Uw hoofd hangt in het midden. Ge zijdt klaar voor een dissectie. Ge kwaakt als een kikker, John Ely. Ge schreeuwt terwijl de aarde beeft, de bodem splijt en de storm uit de hemel dondert. De vier armen laten u niet los, ze klemmen u vast. Ge voelt het kwijlend bakkes in uw gezicht en alles wordt langzaam donker. Buiten sneeuwt het.

Ge moet begraven worden, ge zijdt dood. Het stuk zoethout valt uit uw hand op de bodem van de kooi en wordt opgeraapt door het beest: twee handen breken het hout en verdelen het onder twee hongerige monden. Ge hoort het niet, net zoals ge de circusdirecteur niet hoort roepen: “Komt dat zien, komt dat zien: in primeur in The greatest show on earth, u aangeboden door het Barnum and Bailey circus: de levensgevaarlijke wildemannen uit Borneo, een tweeling uit de verre jungle. Twee rasechte menseneters: wie hen tegenkomt maakt geen schijn van kans, wie hen ziet gaat kapot!”








Follow

Get every new post delivered to your Inbox.