Cindy (3/24)

5 11 2009

  De zuster zoog.

Met een zuignap.

Het leven uit een moeder.

Achthonderd gram verdriet.

Een kind, waar je direct door ziet.

Draden, buis, infuus,

terug het leven inspuiten, dat

uit een moeder werd gezogen.

Fatalitas

, zou ook ik willen zeggen.

Een zuigeling hoort niet

uit zijn moeder gezogen.





Beest

23 10 2009

Komt dat zien, komt dat zien: Gij, John Ely, vond ontspanning op die ijskoude twaalfde maart van 1888. Na het bewonderen van de keizers van de nok van het circus verliet ge de tent niet. Ge besloot een kooi in het duister te bezoeken: een monster met vier ogen lonkte. Ge had geen keuze, hoewel het beest u angst inboezemde.

En nu wilt ge het lokken, het gevangen beest wat eten aanbieden. Ge tast in uw zakken: hout. Ge toont het zoethout dat ge voor uw dochter bijhad aan het beest. Ge ziet geen vacht, geen schedel. Enkel vier ogen. Ge bibbert, maar weg gaan zoudt ge niet eens kunnen. Het zoethout valt uit uw trillende hand. Het beest snuift, gnuift, maart openbaart niets meer dan zijn eigen ogen. Ge moet door de knieën, ge buigt voor het beest en ge raapt eerbiedig het snoepgoed van de vuile circusgrond op. Het was in feite voor Veronica, uw zieke dochter. Ze zou heerlijk blij zijn met wat zoetigheid om haar bittere medicijnen te verzachten. Ze zou ontroerend blij zijn met dit onverwacht geschenk, ze zou lachen en huilen tegelijk: tranen zouden uit haar engelenogen druipen zoals kaarsvet van een kaars drupt. Ge zoudt haar vertellen dat het snoepje van Simon kwam, de kruidenier die haar altijd over de krullen aaide. Simon was een goede vriend: toen zijn vrouw gestorven was mocht hij bij uw gezin verblijven. Hij was dol op uw dochter en gaf u het zoethout dat gij laat vallen. Ge raapt het op en steekt het trillend tussen de spijlen van het kot.

Het zweet staat op uw voorhoofd, uit angst voor vier starende ogen, ge veegt het af met uw linkermouw terwijl ge met uw rechterhand het trillende houtje aanbiedt aan het beest dat onbeweeglijk en onbewogen toekijkt. Dan beweegt het beest en van het verschieten laat gij het zoethout weer vallen. Uw dochtertje kan fluiten naar snoepgoed, want het zoethout hangt onder het slijk, ze moet haar medicamenten bitter doorslikken om te genezen van haar ziekte. Ge gaat door de knieën maar wendt uw blik niet af. Wat moet ge doen met uw kind, nu ge het geen snoep meer kunt geven? Moet ge thuiskomen en zeggen: “schat, er zijn ergere dingen in de wereld. Kijk naar de storm die sinds vannacht New York teistert en de mensheid onder sneeuw bedelft”? Dat troost toch geen kind?

Ge vangt een glimp op van het naakte wezen als het zich naar het zoethout toe beweegt. Ge laat het snoep ten derde male vallen. Het rolt onder de kooi en ge steekt uw arm onder de kooi als het beest uw mouw pakt als om uw jas te stelen. Het trekt uw mouw kapot en pakt de resten van uw vest vast: de teerling is geworpen, uw lot is bezegeld. Ge spartelt tegen maar de vier armen scheuren de naden van uw jas aan flarden. Het beest lijkt genoeg scheurende stof te hebben gehoord: het pakt uw armen vast. Hijgend als een dorstige hond trekt het vierarmig monster u tegen de spijlen van de kooi. Ge ruikt zijn zurige asem, ge ziet de glans van een kale schedel. Het beest spreidt uw armen uit als een vogelverschrikker. Uw hoofd hangt in het midden. Ge zijdt klaar voor een dissectie. Ge kwaakt als een kikker, John Ely. Ge schreeuwt terwijl de aarde beeft, de bodem splijt en de storm uit de hemel dondert. De vier armen laten u niet los, ze klemmen u vast. Ge voelt het kwijlend bakkes in uw gezicht en alles wordt langzaam donker. Buiten sneeuwt het.

Ge moet begraven worden, ge zijdt dood. Het stuk zoethout valt uit uw hand op de bodem van de kooi en wordt opgeraapt door het beest: twee handen breken het hout en verdelen het onder twee hongerige monden. Ge hoort het niet, net zoals ge de circusdirecteur niet hoort roepen: “Komt dat zien, komt dat zien: in primeur in The greatest show on earth, u aangeboden door het Barnum and Bailey circus: de levensgevaarlijke wildemannen uit Borneo, een tweeling uit de verre jungle. Twee rasechte menseneters: wie hen tegenkomt maakt geen schijn van kans, wie hen ziet gaat kapot!”





Cindy (1/24)

21 10 2009

Toen Cindy Verschaeve geboren werd, achthonderd gram zwaar en iets kleiner dan een pak suiker, regende het. De parking van het moederhuis was troosteloos en haast verlaten. Thomas Verschaeve kon zijn auto overal parkeren, maar zette hem toch op de plaats die hij tien minuten daarvoor verlaten had om sigaretten te gaan halen.

-Dat ze ook geen sigaretten in dat winkeltje verkopen, en hoewel hij niet de gewoonte had in zichzelf te praten was hij nerveus genoeg om dit te doen. Zijn zenuwachtigheid was ook de reden dat hij zijn volledige voorraad sigaretten had opgerookt, ijsberend bij de ingang van het ziekenhuis. De andere rokers, patiënten met baxter en rolstoel en al, hadden hem moed ingesproken, de aanstaande vader.

-Klootzakken. Alsof zij wisten dat hij helemaal geen kind wilde, dat dat wezen dat de ingewanden van zijn vriendin aan stukken zou scheuren een gevolg was van een dronken nacht en scheurend rubber. Hij zette zich terug bij de schuifdeuren van het ziekenhuis, bij de rolstoelen en de baxters, en stak een zoveelste sigaret op om de spanning te bezweren.





Buyl

24 03 2009

Geachte Meneer Buyl,

Ik zag u vorig jaar in uw twee laatste theaterproducties, Spoon River en Fool for Love. U speelde mee met jonge gasten, u was uw mompelende en strompelende zelf, terwijl het jeugdelijk geweld rondom u danste en zwanste. U liep af en toe naar voren, zoals vroeger naar het eerste plan, en liet de jeugd zien wat acteren had moeten zijn: een zaal vullen met uw innemende, afgeleefde lijf en stem.

Ik ben blij dat ik u nog heb zien spelen, ik lachte er zelfs mee: “nog even Nand Buyl zien want anders kan het misschien niet meer”. Het bleek te kloppen: geen theater zal nog gevuld zijn met uw stem. Uw hese keelgeluid zal enkel nog rondzwermen in de nok, bij de engelenbak, waar het publiek zit waar u voor speelde. Ze zullen kijken naar het kunst-en vliegwerk van die jonge gasten, en het waarderen, maar enkel omdat ze weten dat op die bühne ooit een man stond te fluisteren, hoewel zijn woorden hoorbaar waren tot vanboven.

Geen DVD of video zal ooit de leegte opvullen die u achterliet, geen CD kan de echo in de nok van het theater vervangen.

Liefs,





Doden lopen.

23 02 2009

Zag ik vanmorgen Hugo Claus,

in de winkel om het hoekje?

Zat in zijn mandje salami,

prei en puzzelboekje?

 

Het lijkt me sterk: de man is dood

maar ik zie vele doden lopen.

Ik zag een schoolvriendin op een concert

die verongelukt was en niet hield van jazz.

 

Ik zie mijn opa bij de slager.

Hij propt zijn mond vol

met honderd gram gehakt

en zegt dat ik meer vlees moet eten.

 

In films zie ik de doden lopen,

ik lees boeken van lijken.

Zou dat dan zijn wat leven heet,

dat ik constant naar dood moet kijken?

 

09/02/09





Niks schoonder dan dat.

18 02 2009

De vreselijkste momenten in het leven van een schrijver zijn toch die waarop zijn werk gelezen wordt. Als hij niet in de buurt van zijn lezer vertoeft is er niets aan de hand, de problemen beginnen pas als hij moet toezien hoe een lezer het geprinte bundeltje papier ter hand neemt en begint te bladeren. Een lach op een onverwacht moment, iets te weinig gegrinnik maar wel genoeg gebiogeerd lezen. En dan na de laatste bladzijde: “ja.”

Het is de hel: je wil indrukken, bevindingen, commentaar. Je wil alles wat in het hoofd van je lezeres zit eruit zuigen als het merg uit een bot. Maar het is te ongestructureerd, zegt ze, het moet nog wat bezinken. Het begint wel heel leuk maar wordt dan wel heel filosofisch. Maar ze vond het goed, absoluut, al kan ze er geen woorden opplakken.

Ze wil weten of ge er echt zo met zit, met dat peinzen aan de dood, ze zegt dat ze dat zelf ook al heeft gehad en dat ze daar nu van af is, dat ze denkt dat het de leeftijd is en dat het ook bij u wel weg zal gaan. En of het allemaal uit uw eigen koker kwam, of ge misschien bronnen hebt gebruikt. Ge geeft schoorvoetend toe dat ge hier en daar wel eens iets gepikt hebt, maar altijd netjes zeventig jaar nadat de pijp van de bestolene uit was. En ge hebt al eens wat dingen verdraaid of wat bijbelicht ja, maar zonder te erg van uw eigen af te wijken.

En voor ge het weet zijt ge weer een schrijver: ge vertelt weer meer dan dat ge luistert naar de rest, ge zevert over uw bedoeling en de verwijzingen naar wie dan ook en als ge ‘s avonds thuis komt komt ge er achter dat ge weer niks wijzer zijt over uw eigen krabbels. Tot drie dagen later: ge krijgt een mailtje binnen. “Doe maar, het is goed.”

En dan hebt ge het geproefd: de smaak van een lezer. Het schoonste moment in het leven van een schrijver: iemand die zegt dat hij u heeft gelezen en dat hij het goed vond. Geen uitgever of prijzenbaas kan hier aan tippen. Gewoon iemand die leest wat gij ooit hebt bedacht en zegt dat zij iets aan u heeft gehad. Ze kunnen zeggen wat ze willen, met hun publicaties en royalties maar er is niks schoonder dan dat.





Rigor Mortis

4 02 2009

En deze nacht? Als ge in uw bed ligt?

Denkt ge dat ge uw hersens kunt bevelen?

Ge wilt er niet aan denken, ge moogt er niet aan denken. Ge roept het tegen uzelf tot ge het zelf gelooft. Maar denkt ge dat ge dat kunt? Stoppen met te denken aan uw dood?

(uit: Rigor Mortis, een toneelstuk waaraan ik zo’n dag of drie serieus aan het schrijven ben)





Val

24 01 2009

 

Twee dames door de lucht/ ze vallen naar beneden. Op melodie van dat lied van Van Het Groenewoud. Ze donderen naar beneden vanuit het vliegtuig dat hen naar de stad van Romulus en Remus moest overvliegen. Ze vallen door de diepblauwe, hemels gelukkige atmosfeer, langs verbaasde merels en overdonderde spreeuwen.

Ze vertrokken gezellig boven in de lucht, dik en varkensroze en in bloemenjurken gehuld. Ze waren heerlijk kwabbig ondanks dieetpogingen en lightboter. Op dit punt in hun val zijn ze blauw als smurfen. Dikke damessmurfinnen, de bloemenjurk opvliegend tot aan hun drie kinnen, de onderbroeken en steunkousen niet langer aan het zicht onttrokken, tuimelen door de atmosfeer vol merels en spreeuwen die nog nooit zo’n dikke smurfen zagen.

Een kwartier geleden zaten ze nog een gebakje weg te vreten op de vlucht naar de stad van Nero en Caligula. Een kaffeke erbij in zo’n kannetje met drukpompje, om de vettige drab van koffiebonen of andere chemische bucht te filteren. Créme au beurre uit een pakske, een viezig gebakske, dat bij God vijf euro gekost heeft.

Tien minuten geleden hadden ze nog gezellig de loop van een pistool tegen hun bol, of ze alstublieft dankuwel hun bakkes konden houden? De man had hen uitgepikt, zij kakelden teveel: over hun familie, hun erfenis, de ruzie van de familie over de erfenis. Een hoop gezever, dat de terrorist niet aankon, het schijnt dat die gasten zowiezo al een kort lontje hebben. En of ze nu twee minuten konden zwijgen, godverdomme? Niet dus.

Vijf minuten geleden vertrokken ze dan eigenlijk: uitgezwaaid door de rest van de boeing, vrolijk gillend de eeuwigheid tegemoet. Kapot gaan was de boodschap. Te hoge druk die longen doet ontploffen. Kaboem, hip hip. Hun longblaasjes en dito vertakkingen die blubberig door het luchtruim zweven, het is een prachtig gezicht: gepocheerde eikes in zout water, geen mens die eraan denkt van dàt weg te vreten.

En nu maar vallen tot een krater in een wei wordt geploft. Geen gil, geen commentaar van een verslaggever die roept “twee-nul”. Enkel die doffe plof. Behalve als die madam op een koe stuikt. Of op een auto, wie weet op een kind. De andere madam zal waarschijnlijk wel op een hekje vallen en volledig gebroken gevonden worden. Een stukje wordt verloren. De puzzel is waardeloos.

Ze donderen en donderen en dan: applaus! Een laagvliegende arend vangt hen op in plaats van spreeuwen en mussen te vangen en breekt hen alvast. Ze vallen niet in weide, niet in stad of dorp, maar in het midden van een prachtige kale woestijn. Niks vinden, niks gerouw: veertig jaar vermist en dan pas officieel kapot.

Twee dames op het zand/ ze liggen te creperen.








Follow

Get every new post delivered to your Inbox.